Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 347 )

fchillig kan aanzien, enkel uit kwaadwilligheid, in een grooter onheil genoegen vinden? Dit zou iets tegenftrijdigs zijn; geen van de aanfchouwers zou den misdaadiger om het leeven brengen, zelfs niet eens willen mishandelen. Allen zouden zij zich verblijden, wanneer men den veroordeelden vergifnis verleende. Elk zou hem uit de handen des Scherpregters rukken , indien de fterke wagt het gemeen niet in bedwang hield. Een algemeen gemor en gefchreeuw verheft zich tegen den onkundigen , die, uit onvoorzichtigheid, den ftervenden meer doet lijden, dan hij, volgens zijn beroep, vcrpligt is te doen. Maar, daar de gevonnisde toch eens moet fterven, geniet men het ongewoone fchouwfpel. Hij dus, die ter hulpe toegefchooten was, om den brand te blusfchen, doch wegens de menigte'er niet bij kan komen, verzadigt zijne oogen met het prachtig gezicht der aanwakkerende vlam (/*).

Ik

(*) Lucretius zegt:

Suave eft mari magne turhantibas eeqtiora ventis

E terra magnum altmus fpeSlare laborem ;

Non quia vexari quemquam efl jucunda voluptas;

Sed quibus ipfe malis careas, quia cernere fuave efli

Suave etiam WH certamina magna tueri.

Per campos inflruSta tui fine parte pericli.

Het is een genoegen, van het ftrand een fchip te zien, welk , door den ftorm gedingerd, in groot gevaar dobbert; niet, als of bet ongeluk van anderen ons verheugde; maar, om dat wij, door deszelfs gezicht, onze veiligheid op haren regten prijs leeren ftellen tn gevoelen. Om die zelfde reden zien wij groote veldflagen van verre met genoegen, wanneer wij buiten alle gevaar zijn."

Zie hier nog eene plaats uit volt ai re, welke hij, bij gelegenheid van deze Vaerfen uit lucretius , gefchreeven heeft.

„ Ver-

Sluiten