Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I N II O U D.

bhdz.

XXVI. BRIEF. {Vervolg.} Geene krachten,

. ricoh natuurlijke , noch die van d$n mensch , kunnen het kwaad geheel weeren. 19

Evenredigheid van 's menfchen krachten tot het kwaad , welke hetzelve of draaglijk maaken, of beperken. 0.1

Wat gods macht hierin doen kan. 24

XXVII. BRIEF. Over de noodzaaklijheid van het

zedenlijk kwaad in het algemeen — en waarin het be-

ft«- =9

Onze daaden worden alleen kwaad door hare gevolgen. 31

Het gevoel van recht of onrecht maakt de zedenlijkheid onzer daaden uit. 33

De macht om te fchaaden behoort tot het wezen van den mensch. 35

Oirzaken van het zedenlijk kwaad. 36

Ge-

Sluiten