is toegevoegd aan je favorieten.

Brieven over den oirsprong en de oogmerken van het kwaad.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 16Ó )

Met de eerfte dezer Vraagen: „ of het Verjlani altijd dat gene kan zien, >t welk het zien moet, als het onze daaden zal voordbrengen en befuuren?" bedoek ik niet te vraagen, of de Mensch alwetend,^ of hij onfeilbaar in zijn zien en oordeelen. kan zijn; maar:

Of de Mensch altijd ter rechter tijd dat geen kan zien *n beoordeelen, V welk onder zijn bereik is, en hetwelk hij op een anderen tijd zoude zien, en gezien heeft?

Dat dit niet gefchiedt, leert de ondervinding; dat het met kan gefchkden, meene ik in liet eerfte 'üieel, ten minften waarfchijniijk, bewezen" te hebben.

Want ik heb aangetoond, dat het, naar alle vermoeden, van hem niet afhangt,

ï). te zien; maar dat hij het indrukzel der voorwerpen moet afwachten — welk indrukzel zich dan niet richt naar den wil van den ziener, maar naar den ftand en de gefteidtenis van het voorwerp, en naar maate de Ligchaams- en Zielsvermogens van den ziener alsdan gefteld zijn.

a) Zich te herinneren; want de Mensch moet wachten, totdat het verband der denkbeelden, of eene zekere onbepaalbare, niet willekeurige lpeeling der denkbeelden, dezelven aan zijne verbeeldingskracht voorftelle.

3) Optemerken; omdat hij dit alk n dan vermag, als eenig voorwerp de oplettendheid lokt en bepaalt; h twelk in geenen deek op zijnen wil aankomt. En

4) Te oordeelen, of te denken; omdat hij alleen de eigrnfebahpen en betrekkingen der'dingen kan waarnemen, zo als het voorwerp, welks

ftand