Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C-6)

te maaken, is het noodig, dat hij denzei ven met den minderen ftaat van anderen vergelijke. Bij gevolg is zelfs het Kwaad ttoodzaakSjk., om het goede te kennen.

Het Kwaad heeft geen ander vermogen, dan dat geen , 't welk wij zeiven daar aan geven. Onze vrees en ons ongeduld doen ons daarvan het eenigst begrip vormen. Op dezelfde wijze heeft het goede alleen die waardij, welke wij door onze verbeelding en ons gevoel daaraan hegten. De daadlijkheid, het wezenlijke , doet in alle gevallen weinig werking. Ons gevoel is altijd de maat van ons lijden en van ons geluk ; en ons gevoel hangt af van onze verJeelding, van de begrippen, welken wij ons van geluk of ongeluk, van Eer, en Gunst of verachting maaken. Schrik bevangt ons, als wij ons m de plaats der inwooneren van Kamfchatfca of van Guinea, ftellen. Zij zijn echter met hunnen ftaat te vreden: zij weten niet beter. De Italiaan, die misfchien het fchoonfte gedeelte van den Aardbol bewoont, gevoelt alle zijne voordeelen niet. Hoorde hij niet nu en dan van minder gelukkige hemelftreeken ; voelde hij niet fomtijds een ruwe lucht, en zag hij niet een enkelen droevigen dag; hij zoude van de aangenaamheden zijner heldere dagen geen begrip hebben. Dus gevoelen wij het Goed en het Kwaad alleen naar de maate, waarnaar wij hetzelve waardeeren. Is dit zoo, dan moet het mij ook ligt te bewijzen zijn, dat er zonder Kwaad voor ons in 'ï geheel geen Goed kan zij n.

Zoo lang men zijnen tegenwoordigen toeftand niet kan bereekenen, kan men zich van deszelfs waarde of onwaarde geen denkbeeld maaken. Maar

de-

Sluiten