Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( "-30 )

ftaat, rust, op hare beurte, wederom op eene gevaarlijke ftemming dezer zintuigen (*j). De zintuigen zijn opgevuld; zij worden door aandoenlijkheid geprikkeld, in onrust gebragt. Als nu de werkzaamheid niet volgde, de opgeblazen en aangehitfte zintuigen niet verligteden, dan zoude in dezelven eene geweldige verwarring komen. Men ftelle, bij voorbeeld , een gezond Mensch , vol krachten , . in de noodzaaklijkheid, om zich, niettegenftaande de aanprikkeling zijner krachten , Uil te houden, dan zullen die zelfde krachten hem eenen doodelijken angst veroorzaaken , en, vinden zij in het geheel genen weg , zullen zij verfchrikkelijke verwoestingen in zijn ligchaam te wege brengen.

Alzoo rust iedere genieting, iedere drift tot werkzaamheid , dat is, ieder vergenoegen van den mensch , op eenen toeftand zijner krachten, welke, zonder dat vergenoegen, aan dezelven den ondergang veroorzaaken zouden. Vermaak is, derhalve , meer eene Artsenij , dan eene gelukzaligheid. De mensch is in eene beftendige afwisfeling van af en toenemen.

Aan den anderen kant, is het vermaak , dat middel van verkwikkinge, ook een weg tot verftooriuge. Als het genot niet haast weder ophoudt , als de werkzaamheid niet vroeg hare paaien vindt, volgt ook weldra infpanning, uitputting, de eerfte graad van bederf.

Iedere drift, welke die ook zijn moge, 't zij natuurlijke of zedenlijke, deugdzame of fchandelijke ,

is

(*) Men zie mijne Verhandeling over de Krachten, die den Mensch Werkzaam maaken.

Sluiten