Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C aö )

den tuin van Mevrouw Arend af, wanneer hem plotJfelijk wederom de moed ontzonk; hij omkeerde, en zich des avonds weder ergde, dat hij van nieuws een dag had laten verlopen,' zonder daar van gebruik gemaakt te hebben. Aan eene zelfde fchaamte moet men het toefchrijven, dat Mevrouw Arend ter ftond den volgenden dag, toen zij een bezoek van hem verwagtte, hem onder voordwendzel van eene onpasfelijkheid, lietbidden, om zijne vifite uit te ftellen; dat zij den volgenden dag ieder oogenblik de verfchijning van haaren vriend niet minder vreesde, dan zij daar naar verlangde, en zich over zijn uitblijven even zo zeer verheugde, als bedroefde. Zij was alle avonden zo gerust, als of zij aan een groot gevaar ontkomen ware, entevens zo ter neêr geflagen, als of zij het genot van het onöntbeerlijkst goed had moeten misfen. Deze onophoudelijke ftrijd tusfehen wonfehen en vrees, maakte haar wel dra zo misnoegt, dat de vliegen aan den wand haar zelfs begonnen te ergeren, en in het kort werd zij wederom zo treurig, dat zij bij zich zelve aanving te wcenen. De meeste nagten bragt zij flapeloos door, en wanneer zij even influïmerde, ontwaakte zij door eene plotfelijke beangfligheid van het hart; door de verbeelding van eenen val van eenen hoogen berg, of Webson kwam in haaren droom onverwagts de deur in, en trof haar in eenen befchaamenden toefhnd aan. - Duizend dergelijke ver-

beeU

Sluiten