Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot dëBriïVen. ajy

200 vér, dat hij ons de heerlijkfte Muziek (rukken voorfpeelt, zönder om de klavieren te denken. Hét zelfde zien wij bij den Letterzetter: in den beginne moet hij elk vakjen met oplettenheid bezien, om de letter, die hij hebben moet, te vinden; maar naderhand, wanneer hij door eene aanhoudende oefening eene vaardigheid in zijn werk verkreegen heeft, dan kunnen wij de fnelheid zijner hand-n, naauwelijks met onze oogen volgen: hij heeft de letter reeds, eer wij kunnen bemerken dat hij ze zoekt. Ik meen dat alle deze verfchijnfelen zich , uit het voorgaande, duidelijk laaten verklaaren. Immers wij hebben gezien, dat de Hebbelijkheid uit de oefening ontftaat; en dat, de Hebbelijkheid verkreegen zijnde, de bewustheid van de verrichting genoegzaam t'eenemaal ophoudt; maar dat de werking in het Begeertevermogen, ondanks de duifterheid der denkbeelden, dezelfde blijft. Deze werking ; in het Begeertevermogen, geen weêrftand vindende, openbaart zich volkomenlijk en in haar geheel, door de voortbrenginge van de aan haar beandwoordende beweegingen , in de zintuigen van het ligchaam. Behoeft men dan wel meer bewijzen, om, niet alleen van de hier gemelde , maar van duizend andere even verwonderlijke verfchijnfelen, voldoende reden te geeven ?

Laat ons deze Aanmerkingen en Stellingen op de algemeene Zedenleer toepasfen, alwaar zij eigenlijk behooren, en in welke zij, in de daad, van vreesfelijke gevolgen fchijnen te zijn. De Ouden hebP bed

Sluiten