Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanspraak, xxxm

/douwen; de heerlijkheid van Hem, die het affchijn/el is van's Vaders heerlijkheid en het uit ge drukt 2 beeld van zijne zelf/tandigheid, wanneer gij Hem eeuwig de eere, heerlijkheid en dankzegging zult toebrengen, Ik bejluit met deeze dichtregelen: (f)

Amfteldam den 12 Maart j797-

6 God! heb eeuwig dank voor uw onfeilbaar woord; Dat gaaloos heilgefchenk. Thans voel ik al zijn waarde.

Tot welke wondren leidt me uw Euangelie voord! Uw' eigen' Zoon, ó god! befchouw ik op deze aarde! Uw eigen Zoon, god zelf, werd mijn natuurgenoot, Om, door zijn hemelleer, zijn keven en zijn' dood, Den menfchen 't zalig fpoor naar de eeuwigheid te wijzen, Die weg, gebaand, gewijd, geteekend met zijn bloed, Leidt ons van de aarde tot het allerhoogfte goed; Doet zondaars uit het ftof ten top van glorie rijzen.

ó Jesus! Gids en Borg en Hoofd van adams kroost» Hoe zalig 2ijn zij, die U kennen en beminnen!

Wanneer natuur bezwijkt, doet gij hen wel getroost Deze aard verlaaten, om een hemelse» erf te winnen, ó Rotfteen van mijn heil! op U rust al mijn hoop. Verwinnaar van den dood! beftuur gij mijnen :oiP, Bij 't licht van uwen geest, in 't ftrijdperk hier beneden* Doe me altoos op U zien, zelfs door den zwartten nacht Van rampfpoed. Dat ik waake en op uw toekomst wacht, U volge, op uwen wenk, in 't rijk der zaligheden.

y ]■]■ Cf) Genootfchap: hier na volmaakter, 2 D. Bladz. 92.

Sluiten