is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het euangelie van Joannes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J4a VERKLAARING van het

Iremffie Gods, die, uit het midden des vuurs, tot hen fprak, wederom vreesden te hooren, en zij tot moses zeiden: Nadert gij, en hoort alles, wat de heer onze God zeggen zal; en /preek gij tot ons, alles wat de heer onze God tot u fpreeken zal; en wij zullen het hooren en doen, Deut. V: 23—33; zoo liet de Heer zich dat welgevallen. En fprak dan moses de woorden Gods tot het volk, de wet kreeg haar gezag van hem, als op wien God zijn gezag deed rusten. Het glinfterend aangezicht, waar mede hij van den Berg afkwam, Exod. XXXIV: 29. vertoonde hem, als den wetgeever, die de plaats van God bekleedde. Joannes wil ook bijzonder tot moses , als met zulk een gezag bekleed, de aandacht bepaalen, als hij zegt: de wet is door moses gegeeven; gelijk dit ook de tegenflelling: de genade en waarheid is door tssus christus geworden, aanwijst.

Hier uit kan nu blijken, hoe de wet ter deezer plaatfe wordt aangemerkt, te weeten, niet in haaren uitgeftrekten en geestlijken zin, zoo als zij in zich bevat, God lief te hebben met het geheele hart, met de geheele ziele, enz., en den naasten als zich zeiven, raar Matth. XXII: 37—40; want als zoodanig was zij de natuurwet, waar onder ieder mensch, Jood of Heiden, flond; en derhalven, niet door moses gegeeven; zijnde reeds, vóór hem, en een ieder ingefchapen. Ook wordt hier van moses gefprooken als den Middelaar van het verbond met Israël, en derhalven van zijne wet, als tot dat verbond behoofende. Waar bij nog komt, dat tegen de wet, als de wet der natuur, niet de genade en de waarheid overflaat; want de genade doet deeze wet niet te niete; en christus was niet gekomen om de wet te ontbinden, maar te vervullen.

Wij