is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontledende verklaaring over Romeinen VIII. en 2 Petr. I.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN 2 PETR. L lij

naarftigheid elk om ftrijd uit zijn wijk bedacht Waven, om de heerlijkftc en prachtigfte zangreiën te doen verfchijnen, gelijk men uit Demosthenes (*) onder anderen zfen kan. — De Apostel wil, dat de geloovige veriTrooiëlingen onder de Grieken in Klein Azië, op wat ndögërl zullen gezet weezen, dat zij dat voor» getïéTde einde van God zullen bedoelen, erj zOnJer fammelen of draalen, met allen fpoed, alle oplettenheid, volvaardigheid, ijver en ftandvastigheid, alles toebrengen wat ftrekken kon om dat heerlijk einde te bereiken.

Hij wil, dat ze eenen breeden rei van Christe* Jijke deugden zullen faraenvoegen, niet om de ijdele Afgoden of zichzelve, maar om God te verheerlijken. — Het Griekfche woord x»eiv*"* zegt zoo veel als een aanvoerder van eenen Rei te zijn, een Réi bij een te brengen, daar toe onkosten maaken, (f) dien Rei te onderrichten, ofte laaten onderrichten, gelijk ook dien ten voorganger te ftrekken, en te leiden. En ons woord dat met het voorzetfel tël tot of toe famengefleld is, geeft een vermeerdering te kennen, of toevoeging, van iets boven 't voorgaande, dat reeds tot de bijëenbrenging van zulk een Rei was te koste gelegd. Dit is de eigene en juiste bete-

ke-

C*5 Adv. Midiam. p. 387. B. & Argum. hujus oratïonis. p, 383 et 384. Conf. p. 393. C. (D Dcmosth. adv. Midaim. p. 387 et 393.

H