Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALEXIS en ALIXE.

27

Het fchaamtc-rood beblost haar wangen.

Men zag haar de oogen neder-(laan; Toen fprak ze: „ a l c e s t ! mijn ziels - verlangen."

Zij fprak; —■ en zag hem treurig aan: „ Ik dacht: al ex, mijn uitverkooren, „ Was mij voor eeuwig toebefchooren,

„ Toen ik mijn hart' hem liefd'rijk bood. „ Maar neen! hij viel door vreemde lonken; „ Nu wordt dit hart alcest gefchonken:

„ O ja! gij wordt mijn Bed-genoot'"

mm

De klank was naauw haar' mond ontvlooden,

Of alles toont een' blijden lach. Men wenkt: — de Priester, opontboodcn,

Zal haastig fluiten 't minverdrag. Men kan uit 's Moeders wezenstrekken Een hart vol bange vreeze ontdekken.

Zij fiddert ieder oogenblik, Als ze iemand aan de deur hoort bellen. Haar dunkt: al ex koomt binnen fnellen,

Die 't huis vervult met fchrik op fchrik.

Sluiten