is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het euangelie van Joannes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aS VERKLAARING van het

en de vraag luidt: zijn wij ook blind? of, indien zij met hunne vraag willen toonen wel te bemerken dat Hij hen bedoelde, als Hij zeide, dat de geenen, die zien, blind zouden worden, kan het zijn, dat zij daar uit, in het algemeen, hebben opgemaakt, dat, volgens zijn oordeel en uitfpraak, hunne kennis de rechte kennis niet was, en Hij derhalven duidelijk genoeg te verdaan gaf, dat zij , zoo wel als de geenen, die Hij omfchreeven had als niet ziende, verlichting noodig hadden ; waarom zij dan vraagen: zijn wij ook blind? wij die onderweezen zijn in de fchriften, de leeraars des volks, zoo wel als de onkundige hoop?

Waarfchijnlijk hadden zij bij deeze vraag een listigen toeleg. Verklaarde Hij hen voor blinden, dan ftelde Hij zich bloot aan den haat van een zeer groot deel van het volk , waar bij zij, wegens hunne kundigheden, in zulk eene hoogachting ftonden, dat hunne uitfpraaken bijna als onfeilbaar gehouden werden. Zonderde Hij hen uit, als niet blind, dan moest hun oordeel over zijn Perfoon geëerbiedigd, en hun befluit, om allen, die Hem beleeden den christus te zijn, als mede de uitwerping van den blindgeboorene, gewettigd worden.

De Heiland beantwoordt hunne vraag indiervoege dat Hij hun hunnen ijdelen waan, als of zij geen verlichting noodig hadden, en het verderfelijk gevolg daar van onder het oog ftelt, vs. 41; en dan het denkbeeld, waar uit die voortvloeide, naamlijk, dat zij de herders des volks waren, Hij daarentegen een verleider, wederlegt, H. X: 1—18.

vs 41. Jesus zeide tot hen: indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: wij zien, zoo blijft dan uwe zonde.

Hij