is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het euangelie van Joannes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2i8 VERKLAARING van het

vs. 5. Thomas zeide tot Hem: Heere! wij weeten «iet, waar gij heenen gaat, en hoe. kunnen wij den weg weeten? 6. Jesus zeide tot hem: Ik hen de weg^ de waarheid en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door mij. 7. Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben, en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.

Niemand der Dicipelen begreep het 'geene jesus hem, aangaande zij'n vertrek uit deeze waereld, voorhield. Hier van dat dan de een, dan de ander Hem vraagen deed, of bedenkingen inwierp. Zoo even deed het petrus, H. XIII: 36, nu thomas, daar op philippus, vs. 8, en vervolgens judas thaddeus, vs. 22. Het is derhalven noodeloos te onderzoeken, waarom juist thomas deeze vraag deed, en ongegrond daar uit te befluiten, dat hij traager van begrip, en meer ongeloovig was dan de overige Discipelen. Het geen hij niet verflond, verftonden ook zij niet, waarom hij in zijne vraag de onkunde van allen onderftelt, gelijk ook jesus in het antwoord, dat Hij aan hem gaf, vs. 7.

Hij fpreekt jesus aan met den gewoonen naam van Heere, waar voor hij en zijne mede-Discipelen Hem erkenden en bleeven erkennen, wat Hij hun, hoe ftrijdig ook tegen huune begrippen en neigingen, voordroeg; zij wisten ook, dat Hij altijd gereed bleef hen nader te onderrichten.

Waarom dan thomas op het laatst gezegde: waar ik heenen ga, en den weg weet gij, bij wijze van tegenbedenking vraagt: wij weeten niet waar gij heenen gaat, en hoe kunnen wij den weg weeten? De vraag, welke Hij doet, flaat op jesus gezegde;

doch