is toegevoegd aan uw favorieten.

Over het euangelie van Joannes.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

45© VERKLAARING van het

op allen, die in Hem geloofd hadden, toepasfelijk, en dat Hij, vs. na, met verwisfeling, zegt: deezen zijn in de waereld; daar Hij, tot nog toe, meer onbepaald gezegd had: ik heb uwen naam den menschen geopenbaard, en zij waren de uwen, zij hebben uw woord bewaard enz.; wanneer Hij dan eerst met het iide vers bepaaldelijk van de Elven zou beginnen te fpreeken. Doch, volgens deeze opvatting, zal men geen reden kunnen geeven, waarom Hij deeerstgemelden in de volgende beden, vs. nb—17, om bewaaring, en om heiliging in de waarheid, die zij ook noodig hadden, niet mede ïnfluit. Daarenboven bepaalt ons zijn gezegde: nu hebben zij bekend, dat alles, wat gij mij gegeeven hebt, van u is, tot de elf Discipelen ; blijkbaar toch ziet Hij op de belijdenis, die deezen even te vooren hadden afgelegd, H. XVI: 29, 30. De verwisfeling van het betrekkelijk voornaamwoord zij met deezen bewijst niet dat Hij anderen bedoelde; Hij kon van dezelfde perfoonen, met verwisfeling, zeggen, zij en deezen. En daar Hij zijn elf Discipelen befchouwt, niet bepaaldelijk naar het characler van zijne gezanten, maar van geloovigen, zoo is dit de reden, waarom Hij eene omfchrijving gebruikt, die op alle zijne waare aanhangeren toepasfelijk is. Men heeft het gemelde onderfcheid gefteld, enkel om reden, dat, indien jesus voor zijn elf Discipelen, en voor hun, die door hun woord gelooven zouden, alleen gebeeden had, Hij dan de overigen van zijn tegenwoordige aanhangeren , in deeze bede, niet zou zijn indachtig geweest; doch deeze bedenking hebben wij reeds weggenoomen in onze algemeene opheldering over dit gebed, Bladz. 410—412. Wij denken dan, dat Hij

eerst.