Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EÜANGELIE van JOANNES. H. XVII: 24. 521

Het is waar; wij leezen, 1 Cor. XV: 24 en 2S, dat de Z'-on den Vader het koningrijk za! nvergeeren, en ztlf onderworpen worden dien , dis Hem a/ie dingen onderwarpen heeft, op dat Gcd zij ai/es in alien, en dus zou het kunnen fchijnen , als of zijne heerliikheid eens een einde zal neemen, en derhalven het aanfchouwen van dezelve geen deel der eeuwige gelukzaligheid kan uitmaaken. Dan,die gezegden hebben eeniglijk betrekking tot de bijzondere wijze der regeering van christus, als Middelaar aangemerkt, welke haaren grond heef* in de onvolmaaktheid der kerk, en het gevaar, waarin zij, wegens haare vijanden, zich bevindt: en geeven niet anders te kennen,dan dat,zoodra zij zal volmaakt, en haare vijanden te niete gedaan, en dus de oogmerken van deeze Middelaarsregeering zullen bereikt zijn, dia regeering zal ophouden; wanneer God zich niet meer. gelijk voorheen, door middelen zal mededeelen, maar onmiddelijk alles in alien zijn, en werken. Hier door echter zal de heerlijkheid van christus niet verminderd worden; want-niet alleen zal Hij. als Zoone Gods, onveranderlijk, met den Vader, blijven heerfchen, maar ook zal Hij, als Godmensch, eeuwig blijven het Hoofd der Engelen en der gezaligden, zoo dat God zich aan huc beftendig zal mededeelen door Hem, en Hü ais zoodanig van hun ailen zal geëerbiedigd,en Hem eeuwige eer eer en dankzegging worden toegebrsgr. Uit dit alles kunnen wij ons eenig begrip maaken van 's Heilands fcitneemende heerlijkheid.

Geen wonder, dat Hij het als een zafig voorrecht aanmerkt, en voor de zijnen begeert. dat zij dezelve moogen Aanfchouwen. De toekomende gelukzaligheid wordt in de H. Schrift aangemerkt, als gelegen in het aanfchouwen van de heerlijke voorwerpen in den hemel Pf. XVÏÏ: 5. Matth. V: 8. 1 Cor, XIII: 12. 2 Cor. V: '-. ï Joh, III: 2, in onderfcheiding van 'de kennis, die K k 5 wij

Sluiten