Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EUANGELIE van JOANNES. H. XVII: 24. 523

zoo als het aanfchouwen van dezelve een voornaam deel van de zaligheid der zijnen zal uitmaaken, ons door een getuigenis, dat, als een Godlijk getuigenis, aller aanneeming waardig is, wordt geopenbaard Ten tweeden > dat die heerlijkheid het eigen voorwerp is van het geloof, en het de eigene werkzaamheid van het geloof is, zich die te vertegenwoordigen, zoo als zij, in het Euangelie, wordt voorgedraagen, en er zich ten vollen van te verzekeren. Ten derden, dat God, op dat die heerlijkheid hier dus door het geloof befchouwd worde, geeft verlichte oogen des verftands, zonder welke men dezelve niet zou kunnen kennen, gelijk zij ook voor de waereld verborgen is, 2 Cor. IV: 6. Eph. 1:19. Co.'/. II: 2. Ten vierden, wat de gevolgen of uitwerkingen betreft; dat de kennis en geloovige erkentenis van christus heerlijkheid de bron is van een zuivere en vuurige liefde jegens God, die ons Hem met vermaak doet aankleeven, naardien zij ons overtuigt, dat de waereld met Hem, door christus, verzoend is, en in Hem zich al de heerlijkheid der Godlijke volmaaktheden beminlijk vertoont, als allen in Hem tot zaligheid opgeluisterd. Dat zij ook onze zielen verbindt tot een algemeene gehoorzaamheid en onderwerping aan God, als waar toe wij in dezelve alle reden en opwekking vinden, en dat, daar de geheele vastigheid van onzen tegenwoordigen en toekomenden ftaat van dezelve afhangt; zij ons geeft een genoegzaamen troost,en een onwrikbaare hoope. En dat dus, in deeze geloofsbefchouwing van christus heerlijkheid, de eerftelingen der zaligheid gefmaakt worden.

Intusfchen is het voorwerp des geloofs, de heerlijkheid, van christus , en daar door ook haar luister en fchoonheid onzichtbaar; zij wordt hier midceliik, en dus duister gekend; waarom paulus zegt, dat

wij

Sluiten