Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EUANGELIE van JOANNES. H. XXI: 1-14. 357

maar maakte zich, dooreen treffend wonderwerk, in zijne wijsheid , magt en goedheid kenbaar. Zegt joannes, dat jesus zich wederom openbaarde, hij geeft daar mede niet te kennen, dat jesus zich nu ten tweedemaal openbaarde, want hij merkt aan, dat dit de derdemaal was , dat jesus aan zijne Discipelen geopenbaard was, vs. 14. Het woord wederom heeft ook de algemeene beteekenis van andermaal, of vervolgens, Matth. Xlll: 45, 47- Mare. XII: 5, en het is ons dikwerf, in dit Euangelie, in deezen zin voorgekomen. .

Joannes nu deeze verfchijning, omftandig, en tot de minfte bijzonderheden toe, willende befchrijven, zegt met eene wijze van voorftel, die dit aantoont: Hij nu openbaarde zich aldus.

Eerst meldt hij de perfoonen, aan welken jesus verfcheen: Daar waren te famen Simon Petrus, en Thomas, toegenaamd Didymus, en Nathanaël, die van Kana in Galilea was, en de zoonen van Zebedeus, en twee anderen van zijne Discipelen, vs. 2.

De vijf, hier met naame gemelde Apostelen , zijn ons reeds voorheen voorgekomen, en uit het verhaal der andere Euangelisten bekend. Bij deezen fpreekt joannes nog van twee andere Discipelen. Waarfchijnelijk waren zij geen Apostelen en minder bekend; want waarom zou hij anders hen niet, zoo wel als de vijf eerften, genoemd hebben? Wij vermoeden , dat zij geweest zijn van de zeventig Discipelen, die jesus , even als zijne Apostelen, door het Joodfche land, voor zijn aangezicht had uitgezonden, Luc. X: 1 ; want hier door was er tusfchen hen een naauwere verbindZ 3 te'

Sluiten