is toegevoegd aan uw favorieten.

Zedelyke verhaalen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE FRANSCHE GESCHIEDENIS. 229

behandelt. , Ik noemde haar, volgens

gewoonte, zuster. . Koeltjes gaf ze my

ten antwoord, dat dezé haar naam niet was, en dat zy jongvrouwe Monticourt begeerde genoemd te worden. Op dit zeggen borden my de traanen zo fterk uit myne oogen , dat ik niet anders konde antwoorden

dan jongvrouw jongvrouw , zeide ik , ik

zal, om dat het u mishaagt, u den naam van zuster niet meer doen hooren, evenwel zult gy niet kunnen beletten,dat ik u teder Jyk liefhebben. Ik naderde haar toen, om haar te omhelzen; maar, kundt gy het gelooven ? zy

ftiet my te rugge Zy ftiet u te rugge ?

Bedorven hart!.... Indien gy wist.. Ik ben dan in myn vermoeden geenzins bedroogen! och Suzette! hoe verachtelyk ftaat en hoe weinig voegt haar die nortze houding! ja, zy voegt haar minder dan iemand Wat toch, wat levert het ftadsleevtn op!.... zo lang Paul ine op het land met ons leefde, hoe veele blyken van tederheid bewees zy ons beide!.... waarlyk myn kind, het is waarheid dat men van de Paryfenaaren zegt : „ zy weeten van geen beminnen — van geen liefhebben, heden ontvingen wy daar van een •treurig bewys. Paul ine heeft, federt zy P 3 zich