Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V I E R D T. Z A N O. IJl

Zoo vloekte de «llendige , toen Habel , bleek als in het fterfuur, met waggelende fchreden nader kwam : „ mijn „ lieve " zoo ftamelde hij, „ maar neen — o — ik beef — een van de ver» „ worpene rebellen , die Gods donder uit „ den hemel wierp, heeft zijn geftalte ,, aangenomen, om onder dezelve God te „ lasteren. Waar is mijn broeder? och „ ik vliede! Waar zijt gij mijn broeder 9 „ dat ik u zegene ?

„ Hier is hij, " zoo antwoorde Kain met eene donderende ftemme , ,, gij f lachende Heveling van den eeuwigen „ Wreeker en van de geheele natuur, met uwe vreugdetranen : gij wiens „ adderengebroed eens alleen in de we„ reld gelukkig zal wezen! Alleen — en ,, waarom niet? Billijk moest de móéder eenen voorbrengen , die voor de ge* j, zegende fchaar dienstvaardige opwach* ters teelde; lastdieren, opdat die tedere „ geitellen hunne krachten, die aan den „ wellust waren toegewijd, niet in ,, moeilijken arbeid verteerden. Och !. „ eene helle flakkert mij in den boezem $* met alle hare kwalen.

„ Kain,

Sluiten