Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

32 DAFNIS.

„ en evenwel verftaat ge mij niet. Zegt „ mij , Nymfen ! zeg mij, o Min ! hoe „ kan ik hem beter beduiden, dat ik hem „ liefhebbe ? "

„ Gij hebt dat lied weêrgaloos gezon„ gen, " zeide de herder tot Fillis , „ en „ gij hebt het treffelijk gefpeeld; bij Pan! „ ik zelve zou het niet beter gefpeeld 5, kebben. Deeze fluit wil ik u fchcn„ ken. Ze is meer dan een dragende geit „ waardig. " „ Maar, " fprak bij tot Dafnis, „ kent gij ook dat lied: " „ Gij

„ Meisjes, die u zoo fpijtig toont?"

5, Het is een oud lied , en weinige her-

ders kennen het thans meer; het heet, „ Neaethus lied, omdat het eene historie M van den Stroomgod vervat , en deze. „ grot heet Neaethus grot , omdat de ge-

fehiedenis hier voorviel." Dafnis verzocht hem , dat lied eens voortefpelen ; de herder vatte de fluit, en fpeelde het zoo fchoon , als of de nachtegaal zong. „ Nu kan ik het ook fpelen , " zei Dafnis; „ ik zal het eens fpelen, en gij, „ herder ! zing het lied eens." Toen hieven ze aan, en de herder zong:

9*. Gij meisjes, die u zoo fpijtig toont,

9j fchoon.

Sluiten