is toegevoegd aan uw favorieten.

Werken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TAN 'T SNARENSPEL.

79

Zijt gij een gepluimde bewoner van het ,, %voud ? o zoo verhef uwe vleugelen „ herwaards op dezen boom , dat ik u

zie en uw gezang hoore. " Zoo fprak zij en zij keek, door de toppen der boomen, in het ronde. „ Zijt gij verlegen wegge-

vlogen? of — deze fitem heb ik in het „ woud noch nooit gehoord. Zou ik mij „ ook bedrogen hebben ? Mij bedriegt toch

geen droom. Ik zal noch een lied zin„ gen. Wees wellekom, lieflijke b.'oem,, tjes in 't ronde. Gister waart gij knop-

pen. Nu ftaat gij in vollen bloei. U „ groeten de lieflijke morgenluchten, en „ de gonzende bijtjes , en de fchoonkleu„ rige vlinders , zij fladderen vrolijk om ,, u henen en drinken van uwen daauw. " Zoo zong zij , doch zij hield gedurig ftil en zogt in 't ronde, want de ftem verzelde haar gezang gedurig op nieuw.

Toen ftond zij verlegen op. „ Neen ik „ heb mij niet bedrogen; eiken mijner too„ nen heeft het geluid verzeld, " zoo fprak zij, toen de jongeling uit het bosch te voorfchijn trad, met bloemen bekransd en met de lier onder den arm. Lachend nam hij de hand van het verlegen meisje.

„ o Gij