is toegevoegd aan uw favorieten.

Prysverhandelingen van Abdias Velingius, Carolus Segaar, en Cornelius Gavél., ter wederlegging van het eerste deel der historie van de verbasteringen des christendoms van Joseph Priestley.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4,ö EERSTE

welke duidelyk leert* dat hec toen opgekomen' gevoelen, wegens het derven der zielen, in de Kerk, al zoo vroeg, als eene dwaaling zy aangemerkt.

Het was ook in Arabiè', zegt Priestley daarop j dat wy het gevoelen vinden, dat Christus geene eigene Godïykheid van zich zeiven heeft, enz (b). En ondertusfchen, dit was het byzonder gevoelen van den Arabifchen Bisfchop Beryllus, gelyk de door Priestley aangehaalde Eusebius met ronde woorden zegt (c).

Noch zegt hy: Dupin zegt, dat Tatianus ook van het gevoelen der Arabieren was, met opzicht tot de ziel (d). Maar, het was, vooreersc, gelyk wy gezien hebben, niec hec gevoelen der Arabieren, dat de zielen derven ; maar hec gevoelen van eene Secfe, in Arabis opgedaan ; ten anderen ; Dupin zegt wel, Tatianus ontkent de onflerflykheid van de ziel, en wil dat dezelve ftcrve, eens met het ligchaam optewekken; doch hy had, even te vooren, gezegd, dat Tatianus, na den dood van Jüstinus, bet hoofd van eene Setle , Encratiten gi< naamd , geworden was (e). Terwyl Tatianus die dwaaling aankleefde, leerde by dit bovendaande; en dit was, gelyk Dupin zeer wel zegt, eene grove dwaa* ling. En hoe kan het Br. Priestley, die meermaal Ta. tianus heeft aangehaald, onbekend zyn, dat hy, hec

woord

(*) BI- 378.

(t) L. 1. cap. 33, pag. 231. <<*) Bl. 378.

ie) Nova Bibl. Auft. Ecclef. vol. 1, pag. 9?.