Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

502 Verhandeling over het evenwigt van

van het glas wordt wel verminderd, maar nadien zij veel minder.is dan de andere, kan zij de vermeerdering van deeze niet geheel wegneemen. Als het vat zoo naauw is dat de onderlinge aancrekkingskragt van de kwik zig tot een grooteren afftand dan de middellijn van het vat uitftrekt, zoo neemt ook de kragt van het punt D naar A af.

Nadien dan van twee ftrijdige kragten eene ftandvastig is , of afneemt, en de andere toeneemt, zal 'er een punt zijn, alwaar geen verfchil is. Laat dat punt E zijn, en het vat gemakshalve van die hoogte dat ED het onderfcheid der kragten , waardoor het Deeltje D aan het glas kleevende, in tegenftrijdige rigtingen getrokken wordt, beduidende, de hoogte DC de zwaartekragt voorftelt.

De Parallelogram EC volkoomen gemaakt zijnde, zoo vertoont derzelver middelijn DF de kragt, waardoor het deeltje D naar F getrokken wordt, en EF de kragt, waardoor het deeltje E naar hetzelfde punt wordt getrokken: Het blijkt dat de eerfte grooter is dan de laatfte-. Op DF een ander deeltje kwik h genomen zijnde en hm parallel aan DE getrokken zijnde, zoo is het blijkbaar dat het deeltje h door eene grootere kragt wordt getrokken in de rigting h F of in ene naafte rigting, dan m, fchoon het verfchil zoo groot niet is als tusfchen de deeltjes D en E wegens de vermindering van het verfchil der kragten; wijl derhalven de kolom D F in elk haarer deeltjes met grooter kragt naar F getrokken wordt, of naar een ander naast bij zijnde punt, dan de kolom EF zoo zal de eerfte boven de laatfte de overhand hebben, en om het evenwigt te krijgen moet het deeltje E, bij voorbeeld e, opgeheven en D neergedrukt worden.

Men necme nu enig ander deeltje K tusfchen È en D zoo zal bij K een grooter verfchil van kragten zijn da'n bij E alwaar het niets is, en kleiner dan bij D, alwaar het zeer groot is; weshalven , als men eene kolom ftelt, welker begin bij K is, en welker ander

• eind

Sluiten