Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

♦C 26 >

het laatst het onkruid te weeren, en de aardappelen grooter te doen worden. De jonge aard appel tjens hebhen dan reeds de grootte van eene erwt. Half Julij, fommigen ook wel eerst in Augustus, beginnen de aardappelen te bloeien, waarna de plant weldra zijn grootfte hoogte bereikt heeft, welke meestal is tusfchen de 2 en 3 voeten. Na het bloeien wasfen aan de plant groene appeltjens, die meestal tot aan den oogst hangen blijven, tot dat zij door rijpheid afvallen. Hoe meêr zulke appeltjens, hoe meêr hoop op veele aardappelen. Deeze appeltjens bevatten het zaad van de aardappelen, waar omtrend het van belang is, het volgende te weeten.

Wanneer het, ten tijde als de aardappelen bloeien, mooi, droog en warm weêr is, komen 'er veele groene zaadhuisjens ten voorfchijn ; daarentegen, wanneer het koud en regenachtig is, valt de bloesfem meerendeels af., zonder zaadhuisjens natelaaten ; 't welk de reden is, waarom, in fommige jaaren, overvloed van zodanige huisjens, en in andere weinigen zijn aan te treffen. Wil men nu hier uit zaad winnen, dan moet men het in gunftige jaaren verzamelen, en het zelve, als ander zaad op een drooge plaats bewaaren; in zulk een geval zal men het vier jaaren lang vruchrbaar vinden.

Zoo min dezaaden van alle moeskruid hunne volkomene rijpheid aan de plant bekomen, maar eerst dan, wanneer zij afgeplukt zijnde, aan de zon, of aan de warmte van den oven zijn blootgeffeld ,even zoo min wordt het aardappelenzaad volkomen rijp aan de plant, ten ware bij eenen

hee-

Sluiten