Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AGTERKLAPPER.

uit te venten; waarom Salomo, spreekende van den Agterklapper, waarschouwt : Vermengt u dan niet met hem, die met zyne tonge verlokt, Spr. XX: 19. De dryfveêr is in zulk eenen doorgaans de nyd, waarom nydigheid en agterklappmgen worden te saamengevoegd , 1 Petr. II: 1. En het oogmerk is , om den Naasten , omtrent zynen goeden naam, verägt en verdacht te maaken; of wel, om hem den Ondergang te berokkenen. Zo zegt Ezechiël, Cap. XXII: 9. Agterklappers zyn in u geweest, om bloed te vergieten. Zulk een Agterklapper was Doëg, die de liefdaadigheid van Priester Achimelech op 't kwaadäartigste aanbragt by Koning Saul, en daar door Oorzaak was, dat die Priester met geheel zyn geslacht moorddaadig werd omgebragt, 1 Sam. XXII: 9—19. Men mag 'er Ziba byvoegen , die Mephiboseth by Koning David valschlyk aandroeg, als hadde die zich tot Koning willen opwerpen, 2 Sam. XVI: 1, 2, 3. Niet onäardig heeft men de Agterklappers vergeleeken by Bloedzuigers, die het vuil bloed inzuigen , gelyk ook de Agterklappers naauw agt geeven op alles, wat aan den Naasten berispelyk is, 't welk zy als met volle monden inzuigen, en daar van vol geworden zynde , als vreesden zy 'er van te zullen bersten , wederom elders uitspuwen , vermengd met de galle hunner kwaadäartigheid. By een Spin: Gelyk die haar vergift zuigt uit dezelfde schoone Bloemen, waar uit de Bye haaren Honig haalt, zo duiden de Agterklappers ook dat geene, 't welk in zich-zelve goed is, ten kwaade, door het goede te verzwygen, of te verdraaijen. Zo als Geta zegt by Terentius in Phormio Act. IV. Sc. 4. vs. 15—.

Nihil est Antipho Quin male narrando possit depravarier. Tu is quod boni est excarpis ; dicis quod mali est.

Dat is: Daar is niets, Antipho, of het Kan, door het kwalyk te verhaalen , verdraaid worden. 't Geen goed is, laat gy 'er uit; en 't geen kwaad is, zegt gy. By Snor-, of Aasvliegen: Gelyk die zich op het zuiverste vleesch nederzetten , en 'er maaden in agterlaaten, die het bederven , zo schenden ook de Agterklappers de beste Men

AGTERKLAPPER. 239

schen, en laaten doorgaans iets na, 't welk aan de eere der zulken nadeelig is. Het is een bekend zeggen : Calumniare audacter , semper aliquid haeret. Men lastere maar stoutelyk , 'er zal altoos wel iets van aankleeven. By de Tong van eenen Adder, welke te gelyk steekt en vergiftigt, by een scherp en tweesnydend zwaerd, 't welk te gelyk meer dan eene wonde maakt. De Agterklapper verwondt zichzelven : Hy maakt zich der agtinge der Braaven onwaerdig. David zegt: Die van zynen Naasten in 't heimelyk agterklapt, dien zal ik verdelgen, Ps. CI: 5. Onder de Siermerken van den Ziöniet is ook dit, dat hy niet agterklappe met zyne tonge, Ps. XV: 3. Waar uit men by tegenöverstellinge mag besluiten , dat hem , die dat doet, het woonen op den berg van Godts heiligheid wordt ontzegd. Hy wondt den geenen, die zyn agterklap met vermaak aanhoort. Bernardus zegt in eene zyner Leerreedenen : Detractor et libens Auditor, uterque Diabolum portat in lingua. Dat is: En de Agterklapper, en die den Agterklapper gaerne het oor leent, draagen beiden den Duivel op de tong. Ik zoude liever zeggen: Geene draagt hem op de Tong , en deezen zit hy in het Oor. Hy wondt den geenen, van wien hy agterklapt; hy brengt zyne eere en goeden naam eene wonde toe, welke bezwaarlyk te geneezen is. 'Er is slegts een Agterklapper noodig , om een kwaad gerugte over ons te brengen. Die ééne vindt gereedelyk geloof, en Tien, die het tegendeel getuigen , worden maar ter naauwer nood geloofd. Wil men zich niet gelyk stellen aan den Boosdoender van welken Salomospreekt, Spr. XVII: 4. De Boosdoender merkt op de ongerechtige lippe: Een Leugenaar neigt het Oor tot de verkeerde tonge; zo wantrouwe men altoos zulken, die, zonder dat 'er hun na gevraagd wordt, de nog verborgene feilen, van hunnen evenmensen openbaar maaken ; vooräl als zy dat doen van zulke menschen, met welken zy in vriendschap verkeeren. Men geloove hen niet; men toone hun veel meer zyn ongenoegen. Deed dat elk een welhaast zouden 'er geen Agterklappers meer zyn. Naar onze Overzetting mag men hier bybrengen het gezegde van Salomo, Spr, XXV: 23. De Noordewind ver-

Sluiten