is toegevoegd aan uw favorieten.

Bybels zakelyk-woordenboek.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZINNEN.

ZINNEN.

449

iniddelyk uit Godts eigen mond ontvangen had.; dat hy, ziende dat Eva den zin 'er van zeer wel begreepen had, zich in zyne redeneeringen zo gedroeg, dat het niet wel misfen konde, of Eva moest in het vermoeden vallen, dat hy van Godt gezonden was , om den Mensch van die lastige Proefwet te ontheffen, en hem , door hem te doen eeten van de verboodene vrucht, te brengen tot eenen fland van hoogere volmaaktheid , dat hy zou zyn als Godt, kennende het goed, en het kwaad, waar toe hem zekerlyk tot een kragtig voorwendfel diende, dat Godt zelf dien Boom had genoemd den Boom der kennisfe des goeds en des-kwaads, en zo gelukte het der Slange Eva door arglistigheid te bedriegen, en te doen afwyken van de aan Godt verfchuldigde gehoorzaamheid. (33) Dit geval erinnertzich de Apostel, en ftelt het den Korintheren voor, om hen te doen begrypen, dat zyne vreeze zo geheel ongegrond niet was: Want, was Eva, fchoon oorfpronglyk recht gefchapen, niet befland geweest tegen de arglistigheid der Slange, de Apostel had geene reede, om van de Korintheren meerder doorzigt en flandvastigheid te verwachten tegen de verzoekingen , welke die Oude Slang thans door haare Dienaars tegen hen in 't werk ftelde. (3) Hy vreesde dan , dat ook niet eenigzins hunne zinnen alzo, gelyk het met Eva gegaan was, mogten bedorven worden (om af te wyken) van de eenvouwdigheid, die in Christus is. (NN) Paulus voui önderftelt, en hy wist nee ook in het zekere, dat 'er Verleiders onder hen waren opgeftaan : Valfche Apostelen, bedrieglyke Arbeiders, die voorgaven Apostelen van Christus te zyn, vs. 13 ; Joodschgezinde Leeraars, die de leere van het Euangelie wilden ïchoeijen naar de leest van Mofes Wet, die overal de Gemeenten verontrustten, en vooral die, in welke Paulus had geleerd,de groote Voörfhinder van de Leere der Vryheid, die in Christus is, en van de rechtvaerdigmaakinge o&} niet, uit Godts genade, alleci. door bet Geloof, zonderde werken der Wet. Zulken waren 'er ook thans in de Gemeente te Korinthe, en derzelver toeleg was, om den Korintheren de zinnen te bederven, om —. («) Hun toeleg was dan: ft*~) Hun de Zinnen te bederven. De Zinnen beteekenen hier het, Verftand, geZI. Deel. J. en H. Stuk.

ïyk men elders leest van zulken, die geoefende Zinnen hebben, in tegenöverftellinge van anderen, die onërvaaren zyn in het woord der gerechtigheid., Hebr. V: 13, 14. Die Zinnen zyn zuiver, wanneer het Verftand vervuld is met rechte begrippen van de Leere van Geloove en Godtsdienst, zo als ze weezen moet, een Leere der Waarheid , die naar de Godtzaligheid is. Maar ze worden bedorven door het oor tejeenen aan, en het daadlyk overneemen van daar mede ftrydig* Leeringen , waar door de weg der Waarheid wordt vervalscht. De Invoerders van valfche Leeringen , die der Waarheid tegenflaan, worden daarom omfchreeven met deeze twee fpreekwyzen, dat zy zyn verdorven van verftand, en verwerplyk aangaande het geloof, 1 Tim. III: 8. Maar 'er zyn onderfcheidene Dwaalgeesten , en dus worden de Zinnen der Eenvouwdigen op onderfcheidene wyzeri verdorven. 'Er zyn 'er, die zeer opgèblaazene ydelheid fpreeken,vryheid tot zondigen belooven, en de geenen, die waarlyk ontvlooden waren van de geenen, die in dwaalinge wandelen, verlokken door de begeerlykheeden van het vleesch , en door ontuchtighceden, 2 Petr. II: 18, 19. Maar de toeleg van de deezen bedoelde iets anders: (Jtff) 't Was oin de Korintheren te doen afwyken van de eenvouwdigheid, die in Christus is (A) Wat is nu de Eenvouwdigheid, die in Christus is ? Het is , naar 't my toefchynt , ter* aanzien van de Leere der rechivaerdiging eenvouwdig dit, dat Jefus is de eenige en volkoomene Zaligmaaker, die door zyns zelfs opoffering zo eene eeuwige gerechtigheid heeft verworven , dat 'er geene verdoemenis meer is voor de geenen , die in waaren geloove, met verlocheninge van alle Wettifche eige gerechtigheid , zich tot Hem wenden, zich aan Hem opdraagen, en in 't geheel toevertrouwen, om door Hem met Godt verzoend en voor Godt gerechtvaerdigd te worden. Het is, ten aanzien van de Godtzaligheid eenvouwdig dit, dat men Godt aanbidde en diene, gelyk Hyeen Geest is, in Geest en Waarheid, en dat men voorts, zonder inmengfel van eigenwillige, of verouderde pligtpleegingen, zyne Heiligmaakinge daar in ftelle, dat men zich reinige van alle befmettingen van vleesch en geest, en yverig zy in alle zulke goede werken, als Lil over-