Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZONNE,

>en Gngewyde Schryvers te vinden , in dit Openbaarings - boek gezegd wordt : Zy dienen Hem dag en nacht in zynen Tempel, Cap. Vil: 15. De Duivel verklaagt de Broeders dag en nacht, Cap. Xli: 10. Het Beest en de valfche Propheet zullen gepynigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid, Cap. XX: 10. (33) Groot, zo groot, dat men het bezwaarlyk zou kunnen gelooven, indien het door Roomfche Schryvers niet was aangeteekend, was de Duisternis in dat Tydvak. Vooral in de Tiende Eeuw, en eenige volgende, tot dat de eerfte Dameraat van ' de Reformatie begon door te breeken. Groot was de Onweetendheid. Baronius, een Roomsch Kardinaal , zegt .van de Tiende Eeuw, dat ze „van wegen „ haare ruwheid en onvruchtbaarheid in „ het goede te noemen was een Tzeren;

wegens de grouwlykheid van het toe-

neemend kwaad , een Looden,- en we„ gens gebrek aan goede Schryvers een „ Duiftere Eeuw." Gerbertus, Aartsbisschop te Rheims, ten jaare 999 Paus geworden met den naam van SUvefter de Tweede, riep 'er over uit in een Synode te Rheims gehouden. „ ó Beklaagcnswaer„ dig Rome.' 't welk aan onze Voorou,, deren zo heldere Lichten der Oudvade,, ren gegeeven hebt, maar onze tyden „ beneeveld hebt met eene zo monftreufe en „ ftikdonkere duisternisfe , dat men 'er in „ de toekóomende Eeuwe niet genoeg

van zal kunnen fpreeken. " Mczeraus getuigt „ dat het eene Onkunde was, om „ 'er van te fchrikken, dat men de Bis,, fchoppen moest gebieden, dat zy zou,, den leeren verftaan het Gebed Onzes „ Heeren." Onder eene zo grove Onkunde, gepaard met eene menigte van Dwaalingen en Bygeloovigheeden, bleeven de twee bovengemelde Derde deelen, of Fondament-leeren van 't Christendom nog bewaard : Maar met het andere Derde Deel was het jammerlyk gefteld. (w) Het geloovig toevlugt neemen tot , en vertrouwen op den Heere Jefus, om door zyne Verdienstenen Voorbidding behouden te worden., was naauwlyks bekend. Men zocht het door de verdienjlelykheid van eigene zo genaamde goede werken , die meest - al Beftonderi in Pligtpieegingcn van een' eigenwilligen Godtsdienst; in zekere uitwendige Boetdóeningen* die her gezond verftand deels

XE Deel. I. en 11. Stuk.

Z O N N E. «si,

betreuren, deels belagchen moet; in het ter Beedevaart gaan na zekere plaatfen , aan welke men eene byzondere heiligheid toekénde ; in het bouwen , of verryken van Kerken en Kloosters. Men vermenigvuldigde dé Heiligen,door dan deezen, dan geenen, na zynen dood, te Kanonifeertn, aan welker Voorbiddinge by Godt men eene byzondere groote kragt toefchreef, waarom die, ais om ftryd, werden aangeroepen. Men ftelde grooten prys op het hebben, zien, aanraaken en verëeren van derzelver Reliquien , of Overblyffelen ; van fommigen geheel het ligchaam, van anderen flegts het Hoofd, een Been, een Arm, of flegts een Vinger—. Guibertus de Novigento beklaagt zich over die BygelOovigneid, dat het Volk op die Overblyffels , voor het grootfte gedeelte valsch, of ten minften onzeeker , meer vertrouwen ftelde, dan op de Verdienften van Christus, en dezelve hield van grooter kragt te zyn , dan de Gebeden ten Heemel opgezonden, door de tusfehenkomst en voorfpraak van dien Godtlyken Middelaar. De dflaats-kraamery , voor de Bisfchoppen en Paufen een altoos opwellende bron van groote inkomften, nam by den Dag toe , als waardoor de zo genaamde Overtollige Verdienften der Heiligen, of uit Gunst gefchonken, of meer voor geld verkogt werden tot ontheffinge van zonden fchuld en ftraffe. Eene Leere, welke door den H. Thomas werd opgelierd, en begreepen in deeze Affchuwelyke Stellingen: „ Dat 'er, met 'er daad, ,, een onbedenkiyk groote fchat van Ver„ dienflen was , beftaande uit de Godt„ vrugtige daaden en deugdzaame bedryï, ven, welke de Heiligen verrigt hadden ,, boven 'f geen noodig was tot hunne eige„ ne Zaligheid ,,;(daarom bekend onder „ den naam van Opera Superrogatoriaj en ,, die dus ten dienfte van anderen konden „ ftrekken. Dat de Roomfche Paus de Be,, waarder en Uitdeeier was van deezen ,, grooten Schat; en dat hy, in gevolge „ hier van, de magt bezat, om een ge„ deelte van deezen onbedenkiyk grooten ,, voorraad van Verdienften te fchenken „ aan zodanigen, als hy goed vond, ge„ 'evenreedigd aan hunne boosheid, en ge„ noegzaam, om hen te verlosten van de „ ftraffen,die zy verdiend hadden." AanVvv doe-

Sluiten