is toegevoegd aan uw favorieten.

Verhandelingen over eenige gewigtige stukken de natuurlyke godgeleerdheid betreffende. In het Nederduitsch en in het Latyn geschreeven om te dingen naa den prys van het Stolpiaansch legaat.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ï<58 VERHANDELING III.

hebben , dat fehoon het zeker zy, dat in den beginnen de Afgodendienft op verre na zo verdorven niet geweed is8 als in laatere tyden, en het niet onwaarfchynlyk kan geacht worden , dat fommigo Wysgeeren onder de Grieken en Romeinen , de naamen van de verfchillende Goden , als zo veele Eigenfchappen van den waaren God aanmerkten ; het 'er echter zeer verre afgeweefl is , dat dit de heerfchende denkwyze van 't Volk zoude geweed zyn. Een ieder die flfegts een weinig den geeft van den alouden Godsdienft kent, weet, dat zinnelyke denkbeelden van de Godheid te vormen, en deszelfs Volmaaktheden en Werken aftemeeten naar de vermogens en handelingen der Menfchen , by na. de Ziel, van den geheelen Godsdienft uitmaakte , en dit in het oog houdende, vinden wy het reeds als ondoenlyk voor een geheel Volk, ve'rflaafd aan eene grove denkwyze, zulke fyne en vergezogte toepaffingen te maaken. — En fchoon het alzins blykbnar is, dat het denkbeeld van eenen Opperden God by allen meer of min plaats had , is het aan den anderen kant niet minder 'blykbaar, dat , daar het Volk aan de. mindere Goden denzelfden eerdiend bewees , daar zy aan dezelven de magt om met den Opperden God te twiften, en zyne oogmerken te dwarsboomen, toefchreeven, daar zy eindelyk een zeker gedeelte der Natuur aan eenen byzonderen God opdroegen, zonder dat zich de Opperde met de beduuring inliet, zy alle deze mindere Wezens als waarachtige Goden erkenden, en dus geen denkbeeld hadden van het bedaan van één Eénig God.

TWEE-