Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERHANDELING. 105

heeden, en in de gunft en vriendfchap van een niet min volzalig, als heerlyk Weezen, zyn weezenlyk geluk en hoogfte vergenoeging zoude dellen.

(b) De menfch heeft tefFens een vermogen verkreegen om zich zeiven te leeren kennen , en zyne daar uit voortvloeiende verplichtingen.

(e) Hier door wordt hy van zelfs opgeleid om ook de verplichtingen na te fpooren, die hy omtrent zyne mede, menfchen en omtrent andere fchepzelen heeft.

(d) De menfch ziet daar by zich boven het redenloos gedierte noch bevoorrecht met eene begaafdheid van geeft om de fehoonheid en orden der dingen op te merken en zich daar in te verlufligen. Moet derhalve de deugd hem niet als beminnelyk voorkomen, waar in deeze voortreffelykheeden op de fchitterendfte wyze zich voor het oog van een redelyken befchouwer vertoonen? (k) Moer niet de ondeugd voor hem allerhaateljkfl en affchuweljk/l zyn, waar in juift het tegengeftelde plaats grypt?

(e) Des menfchen ziele is ook ingefchaapen een geweeten, die hem over het goede en kwaade zyner bedryven doet oordeelen; waar uit dan aandoeningen van gerujlbeiden vergenoeging, of van angft en vrees geboren

wor-

(k) Overbekend is P/^Vuitfpraak, by Cic. gemeld de offlc L r C r mit. Zeer eigenaartig worden de bevalligfte trekken der waareDe'uli m een kon tafereel gefchetft Cl. Peflel. Fund. Jurispr. nat. §. J0\„

Cc 3

Sluiten