Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ad No. II. RAPPORT over de OORZAAKEN,

bepaalen; en ten deezen opzichte moeten wy bekennen , dat wy, behalven de Looijeryen en Cementmakery, waarvan wy ftraks byzonder fpreeken zullen , geene zo fchadelyke hebben aangetroffen, dat men genoodzaakt zoude zyn, in een tyd waarin de Fabrieken reeds zo aanmerkelyk in getal zyn afgenoomen , en aan het behoud van dezelven zo veel geleegen is, ze te doen Verplaatfen; — te meer, daar de meeste Fabrieken, reeds zodanig geplaatst, en by Keuren aan zodanige gedeelten der Stad gebonden zyn, dat zy weinig nadeel aan de Ingezetenen kunnen veroorzaaken. Ondertusfchen is het ons voorgekomen, dat 'er, by zekere Fabrieken, omftandigheden kunnen plaatshebben, die dezelven, fchoon anders onfchadelyk, echter zeer nadeelig voor de Gezondheid der nabywoonenden doen worden, en die, daar-zy niet tothet wezen der Fabrieken zelve behooren, ligtelyk kunnen worden weggeruimd. Als zodanigen hebben wy vooral befchouwd, de ftoffen die tot het Verwen, en tot het Azynmaken gediend hebben, welken veelal in de nabyheid dezer Fabrieken, in de opene lucht worden neergeworpen , aldaar dagen blyven liggen, en door de rotting, die zy, byzonder die, welken tot het Azynmaken gediend hebben, ondergaan, de Lucht op eene aanmerkelyke wyze befmetten moeten.

§. 16. Minder gutsftig hebben wy gezegd te moeten denken over de Leerlooijeryen, die wy zeker als zeer beuerfiyk voor de Lucht aanmerken. Wy

heb;

Sluiten