is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van de kristlijke kerk in de achttiende eeuw.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE ACHTTIENDE EEUW. 233

weeten wij grootendeels zelven reeds door eigen befpiegelingen; alleen zijn er in de fchriften des Nieuwen Testaments eenige waarheden, waaromtrent de Reden nog geen genoegzaam licht heeft, zo als de leer der Drieëenhcid, die der Erfzonde, en die der Voldoening; maar dcczen zal de Reden ook eerlang uit andere beweezen waarheden wel leeren afleiden, en daar mede verbinden." (*) Ik geloof waarlijk, dat Ltissj.vr; cr hier den gek mede houdt, en van die drie genocm.ie waarheden rept, alleen om lieden, die de gevoelens hunnes Kerkgenootfchaps zo gemaklijk niet willen laaten glijden, te beter in zijne uitgetpande frriUcn te lokken (f). Hoe toch kan een man, als Lessing, nog eenig gewigt leggen op de leer der Drieëenheid, der Erfzonde, en der Voldoening, daar hij de belangrijkfte waarheid van het Evangelie, waarop onze geheele Godsdienst rust, in dit zelfde boeksken, zich niet fchaamt te betwijfelen. „ Jesus, zegt hij ergens (§), „was „ de eerfte geloofwaardige Leer-iar van de Onfterf-

„ lijkheid der ziel. Geloofwaardig ja was hij

„ door de voorfpellingen, die in hem vervuldfchee-

nen; (?)

(*) Zie bl. 66-72.

(t) Dat Lessing hier niet in ernst fpreekt, blijkt, dunkt mij, niet onduidlijk uit de proeven, die hij neemt, om zijnen leezeren aantetoonen, hoe de drie genoemde waarheden eindelijk door onze eigen navorfchingen waarheden der Reden kunnen worden. Die proeven zijn in de daad zeer ongelukkig uitgevallen. Men leeze 't gene hij daar pver beredeneert bl. 67—76.

(§) Zie bl. 57 en 58.

P S