is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis van de kristlijke kerk in de achttiende eeuw.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*3« KERKLJJKE GESCHIEDENIS

Regula fidei zijn zelfs de fchriften der Apostelen goed of kwaad gekeurd, even als naar de Symbo-

li-

nus, den Martelaar, en Clemens, den Alexandrijner, van welken de eerfle geleefd heeft in het midden der tweede eeuw, en de andere in het laatst van de tweede en in 't begin van de derde eeuw, blijkt, ten minden, aan elk, die niet Willens blind is, overal onwederfpreeklijk volftrekt het tegendeel. Uit hunner beiden fchriften zien wij vooreerst, dat zij van het Oude en Nieuwe Testament, zeer veel werks hebben gemaakt. De fchriften van Justikus, den Martelaar, zijn vol van woordiijke aanhaalingen uit het Oude en ook uit het Nieuwe Testament. En de fchriften van Clemens, den Alexandrijner, zijn daar mede niet minder doorweeven: geene bladzijde zal men bijkans kunnen opflaan, waar men dezelven niet aantreft. Uit hunner beiden fchriften zien wij ten tweeden, dat zij op eene gezonde bevatting van den inhoud des Ouden en Nieuwen Testaments bij hunne Tijdgenooten ijverig gearbeid hebben; inzonderheid ftrekken daar van ten bewijze de Quafiiones & Refponfiones ad Orthodoxos van Justinus. Uit hunner beiden fchriften zien wij wijders, dat zij ook het Oude en Nieuwe Testament befchouwd hebben als de, ons van God geopenbaarde, Archiven, waar uit de leer vau den Godsdienst moest gehaald worden, om welken wel te verftaan God zelf ons licht verleenen moet. „ Meent gij," zegt Justinus, in zijnen Dialogus cum Tryphone Judao. (Zie zijne Opp. Edit. Colon. i68<5. p. 346, D. E.) „ dat „ het gene wij, in de Heilige Schrift leezen, wij dat zo „ maar verdaan kunnen; neen! toch niet! het moet God „ eerst believen, dat wij het verdaan, en wij moeten daar „ toe de Genade van God ontvangen." Clemens z;lfs geloofde, dat ook de Griekfche vertaaling des Ouden Testaments