is toegevoegd aan je favorieten.

Geschiedenis van de kristlijke kerk in de achttiende eeuw.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN DE ACHTTIENDE EEUW. s49

fen fchetzen. Te Durkheim dan zijnde, on¬

dernam Bahrdt zelf een Opvoedinggefticht opterigten op het nabij gelegen flot te Heijdesheim, waar hij zich nu meest ophield. Doch ongeveer twee jaaren daarna werd hij van zijn ambt te Durkheim ontzet; alleen uit hoofde van zijne in zijne fchriften wijd en zijd uitgeftrooide dwaalingen; en als balling buiten het Duitfche rijk verweezen, in geval hij in eene openbaare belijdenisfe die dwaalingen niet herroepen wilde. Bahrdt zich te Heijdesheim niet

meer veilig achtende want herroepen was zijne

zaak niet ■ vlugtte nu met zijn gezin van daar

na Halle, waar hij den aii van Bloeimaand des jaars 1779 aankwam. Weinige weeken daar na gaf hij de door den Rijksraad van hem gevorderde Geloofsbelijdenis in druk, met een daar bijgevoegd fmeekfehrift aan den Keizer. Uit deeze Geloofsbelijdenisfe blijkt het, dat hij een Unitaris waare in de leer van Vader, Zoon en Geest, Pelagiaansgezind in de leer van 's menfehen verdorvenheid, en Sociniaansgezind in de leer der voldoening (*). Te Halle den kost met de pen moetende winnen, fchreef hij in éénen winter honderd zestig vellen druks. Intusfchen ook hield hij hier, 't gene zeer groo-

ten

rijken Jood uit zijne verlegenheid geholpen zijnde, zijne reis voorzetten kon, doch evenwel in Engeland met droog brood en flap theewater zich geneeren moest. Men zal er meer andere Romansanekdoten in aantreffen, waar van het ons echter niet lust hier iets aftefchtijven.

(*) Deeze Geloofsbelijdenisfe (laat woordelijk te Ieezen in de Religionsbeg. fur das Jahr 1779, bl. 828—844. 'Q 5