Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

238 VERHANDELING over

fmcrt baarde. De Zcdckwetzelide plaatzen, in de tneeste bovengemelde Schryveren, zyn weinig, en hebben niets fraais, of *t geen dient om ze aan tepry-

zen, dan by Losbandigen. Zo naauw is het

verband tusfchen Deugd en goeden Smaak; en zo waar is het, dat gebrek aan Betaamelykheid altoos, in zekere maate, gebrek aan gezond Verftand aanduidt. In

iioratius, PERSiüS, marti al IS, catullus en ovidius zelve,zou men alle zedekwetzende plaatzen kunnen doorfchrabben, zonder iets van hun Vernuft te verliezen: en wat aristophanes en petrokius betreft, ik heb in geen van beiden iets kunnen ontdekken, of't zou ter eeuwige vergetelnisfe mrgen gedoemd worden, zonder het minfte nadeel der Letterkunde, De laatstgemelde is, niettegenftaanden den naam door hem, ik weet niet op welk eene wyze, verworven, in alle opzigten, (uitgezonderd eenige dagelykfche Verzen en zommige oordeelkundige waar: eemingen in zyn Werk verfpreid,) eenveragtlyk Schryver; zyn Styl is hard en gemaakt, zyn Schryfftoffe zodanig dat ze geen aandoening kan verwekken, in eenig niet geheel bedorven hart, dan die van ver-

agting en affchrik. 't Vernuft en de aartigheid

van d tnAtheenfchenD'ichlex zyn r.u bykans geheel onzigtbaar geworden, en fchynen nimmer zeer doorgeftooken te hebben. De opgang,dien hy,by zyn leeven , maakte, was hy waarfchynlyk verfchuldigd aan de losbandigheid zyner Zeden, en de fcherpheid zyner Smaadtaale, (hoedanigheden die een kortftondigen naam gegeeven hebben aan meer dan één flegten Dichter,) en,

wat

Sluiten