Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HET KASTEEL.

35?

„ gen hemel, waarin gy thans zyt, kunt gy niet

tot in deezen afgrond op een ellendeling als ik ,, nederzien. . . . o Wat is die afgrond ysfelyk l

In deezen kolk van rampen zie ik allerwegen ,, uw vermoorde Vrouw en Zoon. Hunne be-

bloede en met doodsvervven geteekende fchim„ men volgen my overal; daar zy my dreigend

aanzien! . . . Rechtvaardig God! wat zie ik! „ uw Zoon, Aivares, wapent myn eigen Zoon

met een dolk, om my te doordooten

,, Alphonfus 'wil zelf uw wreeker zyn , en my de

hartader afdeeken. . . . Alphonfus ! myn „ Zoon! . . . Laat af. . . . Is het aan u, om ,, myn beul te zyn? . . . Myn Zoon, myn eigen „ Alphonfus, heeft my den dooddeel; gegeeven , „ en nu verlaat hy my nog! . . . Ach, kom ten

minden , om den laatden fnikvan uwen derven-

,, den Vader te ontfangen ! " Op deeze woor-,

den kon Alphonfus zig onmogelyk langer inhouden ; by vloog naar het ledikant, waar zyn Vader lag, om zig in zyne armen te werpen; doch op hetzelfde oogenblik fchiet Thelismar toe, werpt zig tusfehen hem en het ledikant, en voert hem, in weerwil van zyne traanen en weerdand, buiten het vertrek.

Ondertusfchen was de Geneesheer, dien Thelismar ontboden had, gekomen. Ramiro fcheen nu een weinig bedaarder. — Echter durfde deeze kundige Arts zig niet aandonds duidelyk uitlaaten Z 3 om-

Sluiten