Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

a V» Cap, Befpotting myner zelfs.

3

Z 2 B.

Sam. 7, 14. Jef. 5e, 6.

rfjef.53, 2 - 11.

£ Zaeh.

13- 3tot 6.

c Jef. 60, i8< èn 22.

d Pf In

3?- l\ 45- P<

Lees gy dit recht en merkt geheel,

Door God gelooft gy die 't weeten. e j Dit lyden zied ?t was opentlyk, j Het was niet lief, neen jammerlyk,

Veel zyn er van getuigen. Wilt gy het leezen in der haast, Zie daar ftaat het in Godes plaats, Zo was 't, God doet getuigen, / . 54. In 't lyden was ik angsten vol,

In 't zonden vuil was ik zelfs dol, En menfchen deed my 't Hagen. Het ftaat in't huis van God zelfs nog, Kom lees dit nu en merk het dog,

Want dit is deels voldaanen. g De zond, waarom God deed zo liaan, Was die, dat ik van God deed gaan,

En my zelfs dacht te helpen. Ik hoerde wel, en was een dief, Myn Jefus die was my niet lief,

Ik dacht hem de eer te neemen, En daarom waarfchouw ik zo hart, U menfchen , dat gy 't beter maakt,

Gy hebt ook wel gehoeret. Denkt hoe het my gegaan heeft, Ik moet nog wel in grooter leed,

Doen gaan en zyn geflagen. Doch ik heb mynen Jefum ziet,_ Hy hout my vast ik laat hem niet,

Myn Jefus laat my u leeven, Wat ik nog doen moet dat maakt goed Want ik geloof u niet nog u boek, Ach help my ■, lyd my uwe vveeger 36. WTant ik dacht u Heer Jëfus Christ, De eer door Satans boofe list,

Door uwe gebied te neemen. Ik wou zelfs als een Heiland zyn, Ik wou niet u ik wou nu fein, U vader buiten genade, Ik dachte God zelfs gelyk- te zyn, Het daaglyks brood nam ik niet fyn, ' Gelyk 't zig betaamt te eetenj,

]k dacht het leeramt aan te trêen, Gelyk °y 't 0 Jefu deed voor heen, Ik wou gelyk gy deed ftryden. h 07 Dog Jefus niet in myne kragt, Neen nu door u en uwe magt, . Zo deed my overkomen,

Want toen ik in de duistere nagt,

Het kaarten geld bewaard ik zelf,

En *af naar myn vermoogen. Doch dit ging nog niet fein en rein, Neen ziet het was een quade lcliyn,

Ik dacht daarom te winnen. Toen ik nu zulk en andere zond, Beo-in o-, toen wierd myn ziele wond, Verdoemt, zelfs van myn zinnen. 0 En toen ving God myn aan te Haan, Hy floeg my hier en daar in 't gaan, Door harde Haag van menfchen. Wilt gy het leezen in der haast, Gy vind het veel in Godes plaats,

Leest dit nu recht gy menfchen. z God floeg daartoe ook zeiven my, Met krankheid en gevaar ja vry,

Ganz opentlyk daarneeder, Wilt gy het lefen in den loop , Gy vind het ook in Godes boek, Zie daar kont gy het leezen. a 11 Do°- dit is nog niet al voldaan, ' Het is nog om een kleins voortaan, Voldaan zal 't fpoedig worden. Ik weet, gy kont het gelooven met, Do°- is 't de waarheid zeiver ziet,

God heeft het zelfs gefproken. Het 'yden bloeit my over 't hoofd, In H vriendes huis, van moeder gelooft

Moet ik zyn doorgewondet, b Daar op zal volgen vreugde haast, Dan zal God liefryk fpreeken vast, En liefryk doen zelfs zingen. 52 Dan zal het erfland door Gods hand , Myn zyn, door God zal ik het land,

Bezitten liefryk leeven c Wilt °y het leezen in der haast, Gv vindt het veel in Godes plaats,

'D«ar kunt gy zien Gods weegen. d Do-h Heer myn God wat doet gy daar Hoe fpreekt gy nu ja gansch voorwaar

Zal men my doen uitlachen , Doch ik wil fpreeken van den ftreid Welk mv omgafin 't groote lyd, Toen ik moest gaan en vlugten. o, Toen my de vyand gansch verdreet, En my uit den beroep verwees,

WelkHarm van Talgen doed hete) Dit lyden ftaat in ?t boek ook veel,

Pfalm 09. Pf. 43» 3V

r-pf.38Pf. 39.

g Pfalm 107 , 9 tot 14-

h Matt. 4, 1 en .11.

[a

Sluiten