Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inleiding.

vermeent, onder hetzelfde fyftema, door eenigt veranderingen of hervormingen , de Oost -indifche bezittingen en den handel op dezelve, of, zoo als hij zich uitdrukt, de compagnie, te kunnen redden ; daar ik van gevoelen ben, dat men tot een geheel ander fyftema, naamelijk den vrijen handel, een politiek beftuur over de bezittingen, en het geeven van eigendom van land aldaar, dient overtegaan.

De aucteur, tot zijn vierde en vijfdehoofdft.ukken overgaande , en het gewigt van derzelver inhoud gevoelende , begint met eene inleiding, ten betooge, dat voordeel uit eigen grond en handwerken niet voldoende zijn om een beftaan aan de inwooners van ons land te bezorgen, en nog minder om de onkosten, tot behoud ? beftuur en befcherming van den ftaat benoodigd, goed te maaken; en dat de koophandel, en wel bepaaldelijk de buitenlandfche , of zeehandel, daartoe voor ons onontbeerlijk is.

Deeze ftelling zal niet ligt door iemand, die eenige kunde van de gefteldheid onzes lands bezit, tegengefproken worden; echter is de wijze , waar op dezelve hier betoogd wordt, zeer leerrijk , en doet de kunde en het verftand van den fchrijver veel eer aan.

Om nu in het vierde hoofdftuk aan te Wijzen, vat nut en voordeel de oost - indische handel aan de ingezetenen van dit land toebrengt, geeft de aucteur een zeer omftandig tafereel van den handel der compagnie, waar uit blijkt hoe veel B 5 fche-

Sluiten