Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVL

EO E K.

-7*3'

34 VAD ER L AND SC HE

len van den Vrede, tot welken de Republiek veelligt, door haare zwak- eri weerloosheid en door gebrek aan byftand van buiten, zich zal genoodzaakt zien.

Alle de poogingen welken hy dagelyks zag aanwenden om de Gemoederen der Landgenooten meer en meer voor te bereiden tot het ontvangen van deeze indrukken, gevoegd by de ondervinding van het voorleedene,en het gegrond vooruitzigt, dat de Oorlog, zo dezelve doorging, by mogelykheid niet zou kunnen gevoerd worden, zonder dat meer dan één der Hooge Bondgenooten, door eene niet ongegronde bekommering voor het dreigend gevaar, openbaare bewyzen zouden geeven van Ongenoegen over het gemis van die middelen tot beveiliging, op welken ieder der Bondgenooten, die het zyne in de lasten der Unie opbrengt, een onbetwistbaar Regt heeft.

Dit alles noodzaakte Hem om voor hun Hoog Mogenden den ftaat der zaaken open te leggen, en te toonen, dat de geringheid der Landmagt het onmogelyk maakte om alle de posten, of zelfs de meest blootgeftelde, te bezetten: zo 'er geen kans ware om de Armée van den Staat, zeer fpoedig, tot eene gepaste hoogte te brengen, door het overneemen van vreemde in den Krygshandel ervaarene Troepen, of zich van den zeer fpoedigen daadlyken Byftand van magtige Mogenheden te verzekeren.

Bereidvaardig zou Hy geweest hebben

Sluiten