Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BAAN, (JAN de)

ïn linnens, en vlas dreven, toen hij nauwlijks drie jaren "had! bereikt; van welk tijdftip af aan, een oom van hem Piemans genaamd, Hopman van de burgerijs en Veertiger te Embden, hem in ajtjn huis nam, en een Schilder zijnde, in de begin, zelen van die konst onderwees. Dan dezen oom, hem in'1645 door den dood ontvallen zijnde, wierdt hij het jaar daar aan 13 jaar bereikt hebbende, naar Amjleldam gezonden, en aan het opzigt en beftfer van den Konstfchilder Bakker overgegeven, Hier beijverde hij zig met zo veel vlijt, dat hij binnen kort onbedenkelijke vorderingen in 't fchilderen en tekenen maakte, 't welk wel verre van enen edelen naijver bij zijne medeleerlingen te ontvonken, een zo vuige nijd in hunne harten tegens hem ontftak, dat zij fomtijds zijn fchilderwerk en gereedfehappen bemorsten, 't welk den vlijtigen jongeling egter met een taai geduld verkropte , zonder daar over aan zijnen meester te klagen, die evenwel bij toeval hier agter gekomen zijnde, hen ernftig beftrafte, en zijne gunst en achting voor de Baan verdubbelde. Nu- was hij zo verre gevorderd, om ene keuze van navolging in zijne wijze van fchilderen bij der hand te rnoeten nemen; de 'penfeelkonst van Ant. van Dyk was in dien tijd ten toppunt van agting gefteigerd, daar die van Rembrand ook vele aanhangers vondt; dit bragt hem enigen tijd in twesitrijd, doch hij bepaalde zig na rijp beraad, tot de behandeling van den eerften, als zijnde ingevolge zijn begrip, van enen duurzamer aart. In 1660, trof hij enen Mecenas aan, die hem uit Amjleldam naar 's Hage lokte, en aldaar zo veel werk verfchafte, onder lieden van den eerften rang, als hij met mooglijkheid af konde. Hij fchilderde fchoon, en wist in zijne pourtraitten ene treffende gelijkenis te brengen, zo dat het een en ander zijnen roem wijd en zijd verbreidde, die zelvs tot in Engeland overwoei, en Koning Karel de II. bewoog, om hem aan zijn Hof te ontbieden, ten einde zijn afbeeldzel te vervaardigen; hij verrigte zulks benevens vele andere ftukken tot zo veel genoegen , dat de Hoffchilder Pieter Lely zo jaloers wierdt, dat hij zijne vreugde niet kost bedwingen, toen de Baan

het

Sluiten