Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BOETZELAAR. (RUTGER van)

»3S

bond der vereniginge, waar van meer dan een ontwerp aan de hand gegeven was, en 't gene hij vervolgens ondertekende; hoewel zijn naam bij de openlijke afkondfginge van *t verbond niet gemeld wordt. In *t jaar 1581, onderTchieef hij wegens de Riddérfchap van Holland, de opdragt der hoogfte Overheid aan den Prune van Oranje; die hem, wiens trouw genoeg beproefd was, de grootfte geheimen ontdekte; waar onder mag geteld worden, 's Prinfen oogmerk in den handel met den Hertog van Airjou. Nog werdt hij gebruikt ten jara 1584, in de onderhandelingen o.er de opdragt der Graavlijkheid van Holland en Zeeland, aan den Prinfe, waar van de uitfiag genoeg bekend is. Na dezen tijd vindt men niets van aanbelang nopens Rutger van Boetzelaar aangetekend , tot op het jaar 1604, wanneer hij overleedt, in den ouderdom van 70 jaren, eri naliet twee zonen en drie dogiers, gewonnen bij zijne reedsNgemelde huisvrouwe. Zijn oudue zoon, Wessel, was getrouwd met Ai.ïelia, dogter van Filips van Marnix van St. Aldegonde: wiens nakomelingen tot nu toe in groten luister zijn. Dit zelvde vindt plaats ten aanzien der afftammelingen van Rutgers tweeden zoon, Gideon, uit wien de Heien van Langerak: afkomen. Deze was een leerling van Ltpsius, aan wien hij, in 't jaar 1592, een uitmuntenden latijnfen brief fchreef, waar in hij zig noemt Boetzelaabl van Asperen, Baron van Langerak, en be igr ree t van zijne, aanftaande reize naar Duitsland, Italien en Zwitserland. Hij was enige jaren later, Ambasfadeur van dezen Staat aan het Flof van Frankrijk, en in grote achtinge bij Grotius , die ook br ef-

wisfelinge met hem gehouden heeft. Sylloge Epifi, a

tiris. ill. Scr'ptarxn, cura P. Burmahni. Toni. I. p. 156. 604, 605. Marcus, Sent. van Alva, bl. 130. 134-137. E. van Meteren, Ncd. Hifi. HL Boek, bl. 66. Bor, Ned. ÖarL VIL Boek, bh 43, 44. IX. B. bh 140. XIII. B- bl. 79. 8u 87- XV. B. bl. 199. WAG., Vad. Hifi. VI. D. bl. 126. 17.!. Boxhorn, op Reigersberg. II. D. bl. 574. J. VV. te Watek, Verbond der Ed. IL D. bl. 243-240".

JlOET.

Sluiten