Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HISTORIE. 233

de waarde. Voorts wordt uit de oor-

fpronglyke inftelling betoogd, dat zulks niet alleen betreklyk is op zulke Penningen, of Goud, of Zilver, 't welk op Recepisfen werd ingebragt: naardemaal dit inbrengen op Recepisfen, om aldus Geld by wyze van beleening op Speciën voor de Bank te doen verftrekken van eene laa? tere uitvinding was. Het onbruik kon dit beweezen Regt geenzins vernietigen: dit onbruik was daar uit ontftaan, om dat men tot een redelyke Agio zyn Bankgeld kon verkoopen. en de Bank zelve door inkoop zorgde, dat het Bankgeld niet onder de drie ten honderd daalde. Dewyl dit thans niet gefchiedde, herleefde eens ieders Regt om het ingebragte „ ten hun„ nen believe daar wederom uit te trekken."

Tot het derde het gewigtige punt der Redmiddelen komende, deelt de Opfteller eenige aanmerkingen mede over de waare oorzaaken der daaling van de waarde des Bankgelds. Als zodanig vermeldt hy in 't byzonder eene onnatuurlyke vermeerdering van Bankgeld, of het fcheppen van Nominaal Bankgeld, dat is zodanig, waar tegen wel vaste Zekerheden, doch geen gangbaare Specie of Muntftoffe in de Bank daadlyk hefhat. Op deeze wyze eene aanmerkelyke vermeerdering van Bankgeld gebooren zynde , ontftpnden 'er meerder Verkoopers van Bankgeld, zonder dat de Bank, gelyk voorheen, de daaling door het inkoopen van Bankgeld Ruitte. Dit P 5 deedt

(LXX, BOEK.

Sluiten