Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ss VERHANDELING over db

in vindt, rust op de onderpeiling, dat Petrus hier aanhaalt de belofte van God, bij Jesaia,. hoofdp. LXV: 17 , vergeleeken met hoofdp. LXVI: 22. Ziet ik fcheppe nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde: — want gelijk die nieuwe hemelen , en die nieuwe aarde , die ik maaken zal, voor mijn aangezigt zullen ftaan , enz.

Men zegt, dat die woorden bij Jesaia bui-, ten twijfel pguur lijk moeten verftaan worden „ en duidelijk zien op het werk , hetgeen God verrichten zou, ter daarftelling van de kerk des. nieuwen Verbonds. „ Worden nu die woorden ," Zegt men, „ hier door Petrus aangehaald x „ dan moeten die hier ook op dezelfde wijze M verftaan worden."

Wij ontkennen, dat het noodzaakelijk zij, hier eene aanhaaling te vinden van de gemelde belofte Gods bij Jesaia. Daar Petrus , in het yoorige van dit hoofdfuk, meermaalen van den perfoon van onzen Heiland gefprooken heeft, als den Godmensen, den Middelaar, fchijnt het verband alle aanleiding te geeven , om te denken , dat wij door de belofte, van welke Petrus fpreekt, bepaaldelijk te verftaan hebben de toezegging, die Christus, toen Hij op aarde verkeerde, aan zijne Difcipelen, en door hun aan de ganfche Christenkerk van alle tijden heeft gedaan,.

in,

Sluiten