Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

346 VERHANDELING over dë

Van de gemeenfchap , die God , van zijne zijde, met de gezaligde inwoonderen der waereld zou oefenen, zeggen de Engelen: En Hij zal bij hen woonen. In het Grieksch ftaat : Hij zal woonen bij hen. Het woordjen Hij, hetgeen de Grieken , in zulk een redensverband, als hier gevonden wordt, gewoon zijn wegtelaaten , en het niet te gebruiken, zonder dat daarin eenige nadruk fteekt , ftaat hier uitgedrukt ; en de woordjens, bij hen, ftaan in den grondtekst niet voor het werkwoord woonen, •maar agter hetzelve; en zijn dus geplaatst, om te kennen te geeven den bijzonderen nadruk, met welken de hemelfche fpreekers deeze woorden uitgefprooken hebben. De gemelde wijze van voordragt beantwoordt aan de hoedanigheid der zaake , die zij voordraagen. Boven alle denkbeelden groot is zoo wel de zedelijke als de natuurlijke afftand tusfchen God, (dat wezen, dat in het hooge en in het heilige, en in de eeuwigheid woont,) en tusfchen de kinderen der menfchen, als gevallen aardbewoonerf befchouwd. Met die ftond God, van nu af, de naauwfte gemeenfchap te oefenen , niet alleen inwendig en onzigtbaar, maar ook uitwendig en zigtbaar, door middel van zijnen tabernakel, dien Hij in hun midden geplaatst had. De H. Engelen , die , uk den nu ge-

open-

Sluiten