Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144 Verdeediging van de

§• 25.

De kleederen der Israëiiten niet verouderd enz*

Gelyk men het getal der Wonderen, geduurende den togt der Israëliten door de woeftyne, niet opzettelyk behoort te verminderen , zo behoeft men dezelve ook niet zonder noodzaake te vergrooten. Deezen regel fchynen die geenen (*) niet genoeg onder het oog gehouden te hebben , weke onder de Wonderen , aan Israël bewezen , ook rekenen, dat hunne klederen niet verouderd zyn , waar by men dan nog veelerhande fabelachtige vertelzels gevoegd heeft. Drie plaatzen zyn er, welke tot deeze gedachten aanleiding gegeven hebben. Deut. VIII. 4. Uwe kleding is aan u niet veröudet, en uwe voet is niet gezwollen, deeze veertig jaaren. Hoofdft. XXIX. 5. Ik heb u lieden veertig jaaren doen wandelen in de woeftyne: uwe klederen zyn aan u niet veröudet. en uw fchoen is niet veröudt aan uwen voet. Vergelyk Nehem. IX. 21. Doch de laatfte is duidelyk uit de twee eerften overgenomen; Nu is de vraag, of wy Mofes noodwendig zo moeten verftaan, dat zyne meening is, dat in de daad dezelfde klederen der Israëliten gediend hebben zonder te verouderen geduurende hunne reizen van 40 jaaren ? Ik beken , deeze noodzaake niet te kunnen inzien. Vooreerst: Mofes heeft nergens in zyn gefchied-verhaal zelf dit als een Wonderwerk opgeteekend ; en op deeze beide plaatzen komt hy voor als een Redenaar, die vol vuur en kracht van zeggen, byzonder in den ftyl der Oosterlingen fpreekt,

en

(*) Vergelyk Deyling Obferv. Sacr. Tom. II. Obf. 17.

Sluiten