Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdeedigd. Hoofdft. XXV. IJ

tot den Troon van Israël, ftond ter befchikking van God, die tot hier toe als Israëls Koning daaromtrent de uitfpraak gedaan had, en de geleerde Niemeyer (*) heeft het hoogst-waarfchynlyk gemaakt,dat JoaB wel de voornaamfte aanlegger van dit werk is geweest, alzo en zyn charakter, en zyne omftandighcden, hem niet zeer konden doen neigen tot -den perfoon van den jongen Salomo. Dus daar uit, dat hy de party van AdoniS hield , niets ten voordeele van de onderneming van dien Prins kan beflooten worden. De Schryver van het eerfte Boek der Chroniken, geeft ons in zyne laatfte Hoofdftukken een verhaal van de fchikkingen, die David geduurende zyn leven, en byzonder in zyne laatfte jaaren, gemaakt had tot den bouw des Tempels Hoofdft. XXII. enz. In dit verhaal zyn de onmeetelyke fchatten, welke David gezegd word verzameld te hebben, en die hy beftemde tot den opbouw van dit Godshuis, behalven het geen door de Grooten in Israël daar toe gegeeven werd , altyd een ftcen des aanftoots voor de Ongeloovigen geweest. De opgave der fommc is i Chron. XXII. 14. 100,000 Talenten gouds, en 1000,000 Talenten zilvers, koper en yzer zonder gewigte enz. alles door David byëengebracht in zyne verdrukkinge, dat is, geduurende eene moeilyke cn onrustige Regeeringe , onder veelvuldige oorlogen en oproeren. Hier by moeten gevoegd worden 1 Chron. XXIX. 3. 4. 3000 Talenten

gouds,

(*) tharakterk: des Byb. III. Deel. II. Stuk. Bladz. 515.' vergeleeken Bladz. 534. Yergejyk ook over de verheffing van Salomo tot deu ttoon, de Joodjche Brieven \h DceL Bladz. 226. volgg.

Sluiten