Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op Paljestina. T55

woonden oorfprongelyk in hec naderhand zoogenaamde Uumaa, en tot aan de roode Zee; dan, toen zy dien grooten handel begonnen ce dryven, waar van zy in de gefchiedenisfen zoo beroemt zyn, trokken zy in Palceftina, hec welk hier coe by uicftek voordeelig geleegen was. Hec fchynt, dac zy in den beginne niet anders dan Kooplieden en Marktplaatzen aanlegden, die den zwervenden herderen niet nalaaten konden zeer aangenaam te zyn, dewyl hun dezelve gelegenheid gaven, om hunnen overvloed te verkoopen, en buitenlandfche waaren daar voor over te neemen. Van tyd tot tyd breidden zy zich verder in het land uit, bouwden Akkeren, leiden Wynbergen aan, en drongen eindelyk de oude inwooneren uit hunne plaatfe, even gelyk hunne nakomelingen te Carthago gedaan hebben, die eerft: eene plaatze voor eene Osfenhuid , om daar op te zitten, bedongen, naderhand door eene fpitsvindige uitlegging ééne ruimte kogten, die groot genoeg was, om 'er eene Stad op te bouwen, en eindelyk het geheele land vermeefterden. Reets ten tyde van Abraham word geklaagt, dat de kudden geene genoegzaam ruimte meer hadden, ora dac de Cananiten toen in het land waren, en hec enger maakten. Maar dit ging geduurig verder, en toen de Israëliten eenen tyd lang na Mgypten getrokken waren, eigenden de Cananiten zich eindelyk het geheele land toe. Dit land van hunne Voorvaderen hadden de Israëliten nimmermeer aan de Cananiten afgeftaan; hec ftond hun derhalven vry om het wederom te eisfchen, en met geweld te veroveren. Wanneer zy andere Volken om den doortocht na Palceftina verzoeken, is het maar om wederom in hun eigendom

te

Sluiten