Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Liefde des Naasten.' 21 bat dewet ïedereenen beveelt zynkn

naasten als zich zel ven lief te hebben, en geene rechtbanken heeft incestelt, OM eenen kwaadaart1gen aanbrenger van misdaaden, die op haareuitspraakengeenebetrekking hebben, aan te hooren. Het IS OtlbStwifC-

baar, dat hy, die alleen ftrydig met deeze eerfte Grondstelling handelde, daarom niet terftond ftrafbaar was, (gelyk de Wet daarop ook geene firaffe dreigde) maar hy konde zich ook van de Wet geene gun ft , of medewerking ter bereikinge van zyne oogmerken belooven.

Toevallig ontdekke ik hier eene groote overéénkomft tuflchen Mofes,die wezentlyk een Wetgeever was, en Cicero die enkel als Wysgeer over het Wet-geeven gefchreeven heeft: alleen* lyk met dat onderfcheid, dat de laatfte in eenige ftukken te verre gaat. In zyn eerfte boekdelegibus, cap. 12. legt hy deeze ftelling ten gronde : necejfarium efl , ut nihilo fele plus (Sapiens~) quam alterum diligat. Qjiid enim efl, quod differat , cum fint cuncta paria ? Quod ft intereffe quidpiam, tantulum modo, potuerit, jam amicitice nomen occiderit;cujus eft ea vis,ut,fimulatqiie fbi aliquid quam alteri maluerit, nulla fit. Het geen my in de woorden van Cicero buitenfpoorig voorkomt, is: Vooreerjt dat hy dit tot eenen grondilag maakt, waar op hy het ganfche Recht, en zoo als hy het noemt, het Jus natura bouwen wil, daar het nochtans eigentlyk niet dan eene grondfrelling der Zedenkunde is. Ten tweeden, dat hy vordert, dat wy onze naaften, volkomen in dien zelfde graade als ons zelve beminnen zullen;en dat goede,het welk niet meer B 3 dan

Sluiten