Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§. 256. Meineedigheid: 035

fer voor dezelve moest gebracht worden: dezelve beftond naamlyk alleen in het niet te kennen geeven van het geen men wist. Hier uit alleen volgt reeds , dat dit Offer niet konde te pasfe komen , wanneer men eenen onfchuldigen valfchlyk bezwaarde , en hem van eenen misdaad befchuldigde , die hy niet bedreeven had ; want in dit geval was zyne mcfpraak zekerlyk eene misdaad van bedryf, voor welke- men geen Schuld - offer geeven konde. In zulken gevalle vond hec Rechc van wedervergeldinge ( Deut. XIX. vs. 19.) plaatze; de valfche getuige werdt geftraft, niet als eene Meineedige, maar als iemand, die door zyn valfch getuigenis anderen had zoeken te doen geftraft worden, a. Wanneer men door middel van eenen valfchen Eed zich zeiven van de verdenkinge van diefftal zuiverde , of iets , het geen men gevonden had, door anderen ons ter bewaaring gegeeven was, eene belofte die men gedaan had , of wac van dien aart meer zyn mochte , loochende, Levit. VI. vs. 1—5. (volgens eene andere verdeeling, V. vs. 20 —24.). Ook ifi dit geval werdc hec formulier van den Eed iemand voorgezegc, zonder dac hy zelf fprak ; en hy beging dus, indien hy niets bekende , eene zonde van nalaatigheid.

Dan ook voor ligcvaardige en onbedachce Eeden , die men verzuimt had waar ce maaken , of aan welke men niec konde of mochc voldoen , dewyl de zaak onmooglyk of ongeoorloofc was , moesc, * zpo

Sluiten