Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL FERDINER.

21

met 'den Heer' Thomas, was maar voor de leus. Zy wierd wat onthutst; nochtans verzekerde zy my, dat ze brieven van hem verwachtte. Dus was 'er niets anders op, als gy toch een van ons beiden hebben moet, dat ik my reisvaardig maakte ; en dat was juist het geen ik van harte wensch! 't Is ondcrtusfchen jammer, dat ik den veertienden noodzaaklyk weêr hier moet zyn. Moet, ja hier toe verbindt myn voogd my wel uitdrukkelyk: gevolg. Ivk moet gy u in de bekommering zetten my weêr hier te leveren; en die moeite wordt door vier dagen niet beloond. Daar is reeds de koets! Ik

kan deeze reis niet meer fchryven. — Ons gansch gezelfchap eet deezen middag by Farber; dus kom ik voor den avond niet weêr te huis. — O! Julie! ö"! waart gy hier ! Daar gaf ik wat om; hy had u al gezien.

•* * *

Daar ben ik nog eens weêr! uw vader blyft nog twee dagen langer. Lieve meid, wist gy 'er de reden van! Wel wat zoudt ge zeggen, als hy Ferdiner meêbragt ? Ja 't is zo! Ferdiner konde

noch morgen noch overmorgen ; en dit deed den Heer Wolmer befluiten, zo lange te blyvcn. Dit zeide hy my in de koets; en dit geheim brandde my zo op het hart', dat ik my eerst naar huis moest laaten brengen; om het u te fchryven. Ik zend u nu deezen brief, welken uw vader anders zou meê genomen hebben, met de post van heden; want weeten moet gy het, en dat om veele redenen;

B 3 voor

Sluiten