Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KAREL FERDINER. 241

C L X X I I. BRIEF. Ferdiner aan Eduards.

Hamburg den 2 Odtober.

Ach! wist gy wat Elize om my lyclt, en hoe zeer zy thands een getrouwen befchermer noodig heeft! —

Deeze Majoor, haar zogenaamde Broeder —— myne bekommering om die Engel neemt honderdvoudig toe, als ik aan hem denke. Dankwart heeft den Man wel wat te zwart, maar evenwel niet geheel oneigen afgefchetst. Ik heb hem leeren kennen. Gisteren was hy by my, en hier hebt gy zyn beeldtenis in een eenigzins lang gefprek.

Genoegzaam zyne eerfte woorden betroffen zyne

Zuster. O! Eduards, die van haar met eene

zekere goedkeuring fpreekt, flaat voor myn oor de lieflykfte toonen , welke de Spraak bezit. Hy zou myne verfmagtende natuur het gevoel van alle haare behoeften beneemen; Honger en Dorst, en den Slaap in myne oogen bezweeren kunnen. Maar ik had my toen te vast voorgenomen , my niet in te laaten; en deed wat ik konde.

„ Hy zou," zei hy, „ naar Lubek gegaan zyn ; doch een brief van daar had hem onderricht dat hy zyne Zuster in Hamburg moest zoeken."

Gy kunt wel raaden dat myn geheele antwoord in verwondering beftond.

„ En wel" voegde hy 'er by, „ in eene Straat en

HL deel. Q in

Sluiten